Posts tonen met het label Allan Williams. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Allan Williams. Alle posts tonen

zaterdag 27 juni 2020

Hoe Gene Vincent in Liverpool in 1960 The Beatles op de been kreeg

Soms neemt een foto je mee, een verhaal in. Mij overkwam dat onlangs weer eens. Al een tijdje volg ik via Facebook de groep "There Are Places I Remember: Beatles Liverpool locations". Er duiken regelmatig interessante foto's rond The Beatles op. Zo keek ik geïnteresseerd naar een afbeelding waarop Stuart Sutcliffe en (misschien ook) John Lennon te zien is. Volgens het bijschrift zou het kiekje genomen zijn op 2 mei 1960, tijdens een concert dat Gene Vincent in Liverpool gaf. Omdat er niet ontzettend veel foto's van Stuart en John zijn, besloot ik op zoek te gaan naar het verhaal van dat concert, waar beide jongens blijkbaar in het publiek hadden gestaan. Ik werd nieuwsgierig.



Allerlei personages onder één dak
Ik kwam er al vrij snel achter dat de foto nooit op 2 mei 1960 kon zijn genomen. Dinsdag 3 mei 1960 was namelijk de dag waarop de grote rocker Gene Vincent Liverpool aandeed. Dat was op zichzelf best een memorabele dag. Het bracht allerlei belangrijke personages uit het grote verhaal van The Beatles onder één dak samen. Nog zónder dat deze mensen van elkaar wisten dat ze allen een rol zouden spelen, een schakel zouden vormen in de gebeurtenissen die elkaar vanaf 1960 steeds sneller zouden opvolgen. Op die eerste dinsdag in mei, in het prille begin van de sixties, was half Liverpool in rep en roer: Gene Vincent was back in town.


Gene Vincent was een held van veel jongeren
De Amerikaanse ster maakte al een paar jaar rockabilly- en rock 'n' roll-muziek die een enorme aantrekkingskracht had op de jongens uit Liverpool. De liedjes die hij schreef en de nummers die hij coverde zouden moeiteloos hun weg vinden naar de platenkoffers en setlists van The Quarrymen en The Beatles. Minstens 14 Vincent-songs namen The Beatles op in hun repertoire. Van Be-Bop-A-Lu-La, via Wild Cat tot Time Will Bring You Everything. Het nummer Wild Cat zou in de zomer van 1960 bij Paul thuis, aan Forthlin Road worden opgenomen, door John, Paul, George en Stuart. Gene Vincent was een grote held van veel jongeren uit Liverpool die in het bezit waren van een platenspeler en een gitaar.




Gene had Liverpool al op de kop gezet, met Eddie Cochran
Op zich was het opmerkelijk dat Gene Vincent op de avond van 3 mei 1960 in Liverpool optrad. Al in maart had hij een triomfantelijke week in de Noordengelse havenstad achter de rug. Samen met Eddie Cochran stond hij zes avonden (waarop steeds twee shows plaatsvonden) in het Liverpool Emipre Theatre. Van 14 tot en met 19 maart om precies te zijn. Die optredens hadden al de nodige mensen uit de Beatlescirkel op de been gebracht. Zo waren John Lennon en Cynthia Powell aanwezig, ook Stuart Sutcliffe was er, net als George Harrison, Pete Best en Neil Aspinall. Of Paul McCartney in maart van de partij was, blijft de vraag. In verschillende interviews beweerde hij in de loop der jaren soms stellig dat hij er bij was. Op andere momenten ontkende hij dat weer stellig. Wie er zeker wel was? Allan Williams, de man die de eerste manager van The Beatles zou worden.



Allan Williams nam het risico
De Liverpoolse ondernemer was in maart 1960 zo onder de indruk van de hoeveelheid mensen die de concerten van Vincent en Cochran bezochten, dat hij kansen zag. Commerciële kansen. Williams nam contact op met impresario Larry Parnes en vroeg of de sterren misschien nog ruimte in hun tourschema hadden om terug te keren naar Liverpool. Ditmaal wilde Williams zelf organisator zijn. Die ruimte in de agenda's was er. Na een korte break van 14 dagen in de Verenigde Staten, zouden de mannen terugkeren naar Engeland. Dinsdag 3 mei was er ruimte voor Liverpool. Allan Williams nam de gok en investeerde een bedrag van 475 pond om Gene Vincent, Eddie Cochran en acht andere acts te boeken. Het eerste grote concert van Jacaranda Enterprises was op handen.

In een Morris-bus op weg om posters te plakken
Ik besloot eens op zoek te gaan naar de aankondiging van het evenement en stuitte daarbij op twee verschillende concertposters. Achter die verschillende biljetten gaat waarschijnlijk het drama schuil dat Vincent en Cochran in april dat jaar zou overkomen. Op de ene poster staan Gene en Eddie samen als hoofdact vermeld. De andere poster maakt alleen melding van Gene Vincent. Daarover zometeen meer. In ieder geval reed Allan Williams in zijn pas aangeschafte tweedehands Morris-bus de halve Merseyside af om zijn concertposters overal illegaal op te plakken. Zijn concert moest en zou een groot succes worden. Ik zie het tafereel voor me.





Naar de boksring van de familie Best
Het Liverpool Empire Theatre was vermoedelijk een tikje te groot en prestigieus voor de beginnend concertpromotor. Of bezet. Dus moest Williams op zoek naar een andere locatie. De avond zou daarom plaatsvinden in het Liverpool Stadium. En dát was weer een plek die Pete Best heel vertrouwd was. Het boksstadion werd al geruime tijd beheerd door zijn familie. Bokspromotor Johnny Best en diens vader waren bekende figuren in de sportwereld. Johnny trouwde Pete's moeder Mona, maar was niet de vader van Pete. Toch voerde Pete zijn achternaam en kende hij de boksring en de tribunes aan St. Paul's Square op zijn duimpje.

Liverpool Stadium: het interieur


Niet veel wijzer
Die middag was het er al een drukte van belang. Ook Brian Epstein liep rond, vergezeld door zijn assistent-shopmanager Peter Brown. Epstein hield die dagen scherp in de gaten welke belangrijke optredens er plaatsvonden in Liverpool. Niets ontging de middenstander. Het kwam die dag ook tot een ontmoeting tussen Epstein en impresario Larry Parnes. Misschien zagen beide heren, al pratend, hoe de boksring werd omgebouwd tot een podium. De tribunes die zich rond de ring bevonden, konden niet volledig benut worden. Alle artiesten stonden in één richting opgesteld, dus kon Williams maar de helft van de capaciteit van de accommodatie benutten. Ook lukte het hem niet alle kaarten voor die avond te verkopen, las ik. Williams had zijn nek uitgestoken, maar werd uiteindelijk financieel niet veel wijzer van zijn avontuur.

Gene Vincent en Allan Williams op 3 mei 1960


Ritchie en Pete maakten een praatje
De nu nostalgisch ogende concertposter vertelt ons welke acts Williams allemaal opvoerde om het publiek alvast op te warmen. En ja, ook de plaatselijke sensatie Rory Storm was van de partij. Met zijn Hurricanes en dus met Ringo Starr op drums. Ritchie Starkey en Pete Best troffen elkaar in de loop van de dag en maakten een praatje, als drummers onder elkaar. Dankzij de foto's die Cheniston Roland die avond nam, weten we dat Ringo zijn best had gedaan op zijn outfit. Hij droeg een oversized zwart colbert, had zijn haren in een kuif en completeerde zijn looks met een coole zonnebril. Je deelt niet elke avond een podium met Gene Vincent, per slot van rekening. Ringo zat achter de gitaristen en sloeg de beat, terwijl Rory zijn spectaculaire entree in de boksring maakte.

De 19-jarige Ritchie Starkey, alias Ringo Starr op die bewuste avond




Stonden Stuart en John nu samen in het publiek?
Met Ringo Starr op het podium en Allan Williams, Brian Epstein en Peter Brown in het publiek, was ik benieuwd wie er nog meer bij waren, op die legendarische avond. Was John Lennon er? Hij had Gene Vincent al in maart gezien en vertelde over dat optreden dat hij niet onder de indruk was van hem. Liever luisterde hij naar diens platen. Lennon ergerde zich aan het lawaai van het publiek, waardoor hij Vincent nauwelijks kon horen zingen. Volgens zijn vriend Tony Carricker was John er wel degelijk, omdat hij zich herinnerde dat John onder de indruk was van Rory Storms optreden. De vraag is, zo lees ik in Lewisohns verhaal, of Carricker met John over dát optreden sprak. Stuart was er, getuige de foto die Cheniston Roland van het publiek schoot. Zien we op die foto, dicht bij Stuart, ook John Lennon staan? Hoewel hij niet op de gevoelige plaat werd vastgelegd, was George Harrison er zeker. George wist zich het optreden goed te herinneren en vertelde er in latere interviews gedetailleerd over.

De foto die van het publiek gemaakt werd en waarop 
mogelijk Stuart en John te zien zijn.


Niet fris
Gene Vincent zou als een wrak op het podium hebben gestaan. Hij had al behoorlijk wat alcohol in zijn lijf, keek maniakaal uit zijn ogen en sleepte zijn zere lichaam het podium over. Op 16 april was Vincent, samen met Eddie Cochran en liedjesschrijver Sharon Sheeley op een Engelse snelweg betrokken geraakt bij een ernstig auto-ongeluk. De drie inzittenden raakten behoorlijk gewond. Eddie Cochran overleed een dag later aan de complicaties die hij opliep. Vincent brak zijn ribben, zijn sleutelbeen en liep verwondingen op aan zijn toch al slechte been. Ongetwijfeld had hij mentaal ook een behoorlijke tik van de gebeurtenissen gehad en stond hij 17 dagen later zeker niet fris in de Liverpoolse boksring.


Nazit in de Jacaranda
Het publiek zou Vincent op handen gedragen hebben en reageerde hysterisch op zijn optreden. Williams en Parnes moesten moeite doen om te voorkomen dat Vincent op het podium bestormd zou worden door fans. Het tafereel zou een voorbode zijn van de Beatlemania waarmee de wereld amper vier jaar later kennis zou maken. De gehavende Amerikaan wist zijn optreden tot een goed einde te brengen. De nazit van het opreden vond, met alle sterren van die avond, plaats in Williams' pub The Jacaranda. De optredens van Gene Vincent in maart en mei 1960 zouden in Liverpool alle hoofdpersonen bij elkaar brengen. Hun eigen verhaal zou niet veel later in een stroomversnelling raken. Al hadden ze daar in het voorjaar van 1960, kijkend en luisterend naar Gene Vincent, nog nauwelijks weet van. Toch hing het blijkbaar in de lucht. Dat alles zou veranderen.


Beste lezer!

In juli en augustus houd ik een zomerstop om nieuwe ideeën en inspiratie op te doen voor de wekelijkse column. In de zomermaanden deel ik wekelijks via Facebook en Twitter een column uit mijn inmiddels grote archief. Wanneer je BeatlesTalk alleen via de e-mailnieuwsbrief ontvangt, krijg je daarvan in juli en augustus geen melding. BeatlesTalk is terug met nieuwe verhalen vanaf zaterdag 5 september (via de e-mailnieuwsbrief en de Fab4Cast-social mediakanalen en zondag 6 september (via de BeatlesTalk-social mediakanalen). 

Een mooie zomer gewenst en graag tot in september! 
- Anne.


zaterdag 9 mei 2020

'Stuart was de broer die ik nooit gehad heb': blog en podcast over het leven van Stuart Sutcliffe én: op bezoek bij zijn beste vriend Rod Murray

Jullie hebben nog een heel mooi verhaal tegoed over het bezoek dat ik vorig najaar samen met het Fab4Cast-team aan Liverpool bracht. Over het eerste deel van onze avonturen kon je de afgelopen maanden al meer lezen in de blog. Ook verscheen ons reisverslag als podcast-aflevering. Maar!! Er is meer. We bewaarden het mooiste voor het laatst. We traden in Liverpool namelijk ook in de voetsporen van de jong gestorven eerste bassist van The Beatles: Stuart Sutcliffe. Die route bracht ons heel dicht bij de bijzondere, getalenteerde en gevoelige jongen die Stuart was. De plekken die we bezochten, maakten indruk op me. Om maar te zwijgen van het lange gesprek dat we mochten hebben met Stuarts beste vriend.

Stuart Sutcliffe:
(23 juni 1940 - 10 april 1962)


In het Hamburgse atelier bij Astrid
Onze eerste onvergetelijke ervaring met het erfgoed rond Stuart Sutcliffe hadden we al opgedaan in Hamburg. In het voorjaar van 2018 brachten we een bezoek aan de Duitse havenstad, onder andere om het concert van Ringo Starr te bezoeken en daarnaast eens heel goed een aantal plekken te bestuderen waar The Beatles hun eerste stappen richting de onsterfelijkheid zetten. Die reis bracht ons, zoals jullie misschien nog weten, heel onverwacht tot in het voormalig schildersatelier van Stuart. Op de zolder van het pand, dat destijds het familiehuis van Astrid Kirchherr was, stonden we ineens op de plek waar Astrid op 13 april 1962 de beroemde foto's van John Lennon en George Harrison schoot. Dat was vlak na het overlijden van Stuart, die destijds in Hamburg bij zijn grote liefde Astrid was achtergebleven. John en George bezochten Stuarts atelier en stonden verdoofd van verdriet tussen de kwasten en potten met terpentine, terwijl Astrid het moment indringend vastlegde. Ook wij poseerden op die plek, met groot historisch besef en een gevoel van respect voor Stuart.




Rondkijken in Huyton, Oost-Liverpool
Aan dat moment moest ik regelmatig terugdenken toen ik eind september in Liverpool aan onze 'Stuart Trail' begon. Eerst met Wibo en Michiel. Al snel kon Jan Cees ook aansluiten. Voorzien van een door Wibo samengesteld draaiboek, volgden we het voetspoor van Stuart. Stu, zoals we hem al snel gingen noemen, werd op 23 juni 1940 in Edinburgh, Schotland geboren, maar verhuisde op jonge leeftijd naar Huyton, aan de oostelijke kant van Liverpool. We keken rond in de wijk waar hij opgroeide, al was er door renovatie en herinrichting veel veranderd. Als kind bezocht hij er de Parkview Primary School (1946-1950) en de Prescot Grammar School (1951-1956). Wekelijks zong Stuart in het koor van St. Gabriel's Church. We passeerden deze kerk met onze huurauto, wetend dat dit ook de plek was waar Stu's uitvaartdienst plaatsvond. Niet veel later stonden we aan Stuarts graf op de Huyton Parish Cemetery. 




Een klein gezelschap rond een graf
Dit is de plek, realiseer ik me, waarop 19 april 1962, een klein gezelschap bijeen kwam om afscheid te nemen van het naar Liverpool overgevlogen lichaam van Stu. Volgens het onderzoek dat Mark Lewisohn deed waren daarbij in ieder geval (naast de familie) aanwezig: Cynthia Lennon (namens John), moeder Louise Harrison (namens George), Astrid Kirchherr, Klaus Voormann, voormalig Beatlesmanager Allan Williams en Stuarts beste vriend: Rod Murray. The Beatles waren er niet. Zij hadden verplichtingen in Hamburg. Terwijl ik bij het graf stond, probeerde ik me in te beelden hoe dat hartverscheurende tafereel er moet hebben uitgezien: het afscheid van een 21-jarige zachte, getalenteerde jongen, met een artistiek oeuvre voor de boeg, dat er nooit zou komen.

Rod Murray en Stuart Sutcliffe


Op de thee bij Rod
In de dagen die volgden, reisden we Stuart in Liverpool achterna. Dat waren met name de plekken waar hij, als Art College-student, vanaf 1956 op kamers ging: eenvoudige onderkomens aan Canning Street, Percy Street en Gambier Terrace. Op de meeste plekken woonde Stu samen met zijn beste vriend Rod Murray, die tevens aan het Art College studeerde. Als er iemand is, die Stuart Sutcliffe goed gekend heeft, die ooggetuige was van het ontstaan van het contact tussen Stuart en John Lennon, Paul McCartney en George Harrison, dan was het deze Rod Murray. Het was dan ook geweldig nieuws dat Wibo de inmiddels bejaarde Murray had weten te vinden. Ja, we waren welkom op de thee. Dus reden we op maandagmiddag 30 september 2019 Rods erf op, in een plaatsje op zo'n 30 minuten rijden van Liverpool.


Met Wibo Dijksma, Michiel Tjepkema en Rod Murray
(Jan Cees ter Brugge zou die avond pas in Liverpool arriveren).


'Stuart was de broer die ik nooit gehad heb'
Zittend bij de tafel in zijn bungalow, stak Rod tegen ons van wal. In de hoek stond een zelfgemaakte houten basgitaar, waarmee Rod zelf het idee had zich bij de band van John, Paul en George aan te sluiten. Dat verhaal zou hij ons die middag vertellen. Aan de muur hingen een aantal echte olieverfschilderijen en tekeningen van Stuart. Ik keek verwonderd om me heen, terwijl Rod ons meenam naar de periode 1956-1962, de tijd waarin hij een innige vriendschap opbouwde met Stuart. 'Hij was als de broer die ik nooit gehad heb,' vertelde Rod ons licht geëmotioneerd. Nog steeds, na al die jaren. Ik keek in de ogen die het destijds allemaal zagen gebeuren en realiseerde me: dichter bij Stuart Sutcliffe en het studentenleven van John, Paul en George hadden we niet kunnen komen. Ik nodig je van harte uit ons reisverslag over Stuart en ons interview met Rod te beluisteren. De podcast vertelt het hele verhaal....






Verder lezen en luisteren:

Fab4Cast in Hamburg



zaterdag 12 januari 2019

Pat Moran: de allereerste Beatlesfan (of: hoe The Beatles hun flat aan Gambier Terrace uitgezet werden)

In de kantlijn van het grote verhaal van The Beatles, zijn vele kleine verhalen te vertellen over mensen die ook een rolletje hadden in het leven van de Fab Four. Hoe klein die rol vaak ook was, deze passanten leveren met hun herinneringen vaak een uniek inkijkje in een bepaalde periode van het bestaan van de band. Deze week schrijf ik graag wat over de aandoenlijk lieve Pat Moran. Haar naam zal niet veel bellen doen rinkelen, toch kan ze beschouwd worden als de allereerste Beatlesfan. En de allerliefste, als je het mij vraagt.


Mijn blik gleed omhoog langs de imposante gevel
Voor het verhaal richten we onze camera op Gambier Terrace, een straat in één van de oudste delen van Liverpool, gelegen tussen de Liverpool Cathedral en Sint Bride's Church, de Anglicaanse kerk in het Georgian Quarter. In het straatje, dat ook maar enkele blokken verwijderd is van wat nu Paul McCartney's Liverpool Institute of Performing Arts is, staat een enorm blok met 19e eeuwse herenhuizen. Begin november 2015 stond ik er, tijdens mijn bezoek aan Liverpool. Mijn blik gleed omhoog langs de imposante gevel, op zoek naar wat het raam van nummer 3 zou moeten zijn. Dit was de plek waar Stuart Sutcliffe in 1960 een kale flat bewoonde, samen met een aantal andere kunstacademiestudenten, waaronder de later bekend geworden kunstenaar Margaret Chapman.

Overzichtsfoto van het huizencomplex aan Gambier Terrace, Liverpool

Zonder toezicht van het thuisfront
In de loop van dat jaar werd het de 19-jarige John Lennon te benauwd bij Aunt Mimi aan het chique Menlove Avenue. Hij vroeg boezemvriend Stuart Sutcliffe of hij bij hem in mocht trekken in het schamele onderkomen, dat het midden hield tussen een studentenflat en een atelier. Na overleg met de overige bewoners stemde Stuart in. Ook Paul McCartney en George Harrison waren vaak in de flat te vinden. Even zonder toezicht van het thuisfront.

Paul McCartney, 1960,
gefotografeerd door broer Mike in zijn ouderlijk huis

Agressieve Ierse vader
Pat Moran wilde ook wel even weg van huis. Het 16-jarige meisje uit Wallasey (aan de overzijde van de Mersey) was op haar 9e haar moeder verloren en stond onder streng toezicht van haar agressieve Ierse vader. Op zaterdagavond mocht ze uit, bij de gratie gods, maar dan wel zonder make-up en mét een nette jurk. Een spijkerbroek was uit den boze. Als ze te laat thuis kwam, kreeg ze er van langs, of werd ze door haar vader niet meer binnen gelaten. Wat moet dit meisje hebben uitgekeken naar de zaterdagavonden, wanneer The Beatles vaak optraden in The Grosvenor Ballroom, bij haar om de hoek. Pat begon de jongens, die amper ouder waren dan zij, te volgen.

The Beatles in de Grosvenor Ballroom, Wallasey (de foto dateert van
februari 1961, iets later dan de gebeurtenissen die in deze blog
beschreven worden.)

Op zondagochtend op weg naar The Beatles
Pat raakte vooral verkikkerd op Paul McCartney en genoot van de manier waarop hij met John Lennon het publiek entertainde. Haar lievelingsnummers uit het repertoire van The Beatles waren Tutti Frutti, Long Tall Sally, Cathy's Clown en Whole Lotta Shakin' Going On. Uit haar gesprekjes met Paul begreep Pat dat de jongens vaak in de weekenden in de flat aan Gambier Terrace te vinden waren. Met nauwelijks geld voor een goede maaltijd, hield het allemaal niet over daar. De jonge Pat, die al een baantje had, besloot daarop de stoute schoenen aan te trekken. Op een aantal zondagochtenden nam ze, na haar kerkbezoek, de ferry over de Mersey, en stapte ze op Pier Head op de bus richting het Georgian Quarter. Met een mand vol lekkers beklom ze de trap van Gambier Terrace nummer 3, om haar idolen te verrassen.

Pat reisde een aantal zondagen van Wallasey naar Liverpool downtown


De Beatlesflat was een zwijnenstal
Op zaterdag deed ik er al boodschappen voor, vertelde Pat later. In haar mand voor The Beatles zaten eieren, kaas en broodjes. Samen met een paar vriendinnen arriveerde Pat rond het middaguur bij de flat. Tegen die tijd hadden The Beatles hun roes van de zaterdagavond uitgeslapen en was er tijd om te eten en te kletsen. De 16-jarige gevoelige, intelligente Ierse trof niet bepaald een orderlijk tafereel aan. De flat was, kort gezegd, een zwijnenstal. Volgens Pat was het meestal John die de deur open deed en Paul die de meisjes met een omhelzing begroette. Pat mocht Stuart ook graag. George maakte weinig contact, maar vroeg meestal wel even hoe Pat en haar vriendinnen het optreden van de voorgaande avond hadden gevonden. Bij gebrek aan voldoende meubilair moesten de meisjes op een bed zitten of wat tegen de muur blijven hangen.

George Harrison, 1960

Vijf Wees-Gegroetjes en vier Onze-Vaders
Na een tijdje keerden we weer huiswaarts, vertelde Pat, met een lege mand. Maar die lege mand was niet het enige dat het meisje mee naar huis nam. In haar vocabulaire waren hippe woorden als fab en gear geslopen. Iets dat haar vader tot razernij dreef. Dat kon toch nooit goed gaan? Zijn brave dochter die wekelijks afreisde naar een flat vol gevaarlijke jongens, die bovendien haar taalgebruik beïnvloedden? Pat vertelde later dat The Beatles zich altijd netjes richting haar gedragen hadden. Desalniettemin werd het meisje naar een priester gestuurd om te biecht te gaan. Met vijf Wees-Gegroetjes en vier Onze-Vaders kwam ze eenvoudig van haar zonden af. Regelmatig sprak Pat met Paul af, bijvoorbeeld voor een drankje in The Jacaranda, de pub van Allan Williams, die zich als eerste manager over de band zou ontfermen. Het was Pat die altijd de drankjes betaalde.




Briefjes van één pond naar Hamburg
Toen The Beatles naar Hamburg vertrokken, correspondeerden Pat en Paul regelmatig met elkaar. In de brieven vanuit Wallasey naar de Duitse havenstad schoof het lieve meisje regelmatig een briefje van één pond. Speciaal voor Paul. Het waren die brieven die Beatlesbiograaf Mark Lewisohn in de jaren negentig op het spoor van Pat Moran zetten. Ze bood haar correspondentie met Paul McCartney bij een veilinghuis aan. Daarmee kwamen de inmiddels historische documenten in het publieke domein terecht. Het lukte Lewisohn om Pat Moran nog te interviewen. In 2010 overleed ze, op 66-jarige leeftijd. Haar ontmoetingen met The Beatles en ooggetuigenverslag van de Beatlesflat aan Gambier Terrace 3 vormden weer een bouwsteentje voor dat grote verhaal over The Beatles dat Mark Lewisohn aan het schrijven is.

Beatlesbiograaf Mark Lewisohn kwam de
correspondentie tussen Pat en Paul op het spoor.

Door een bizar toeval zijn er interieurfoto's van de Beatlesflat
Naast dat ooggetuigenverslag van Moran, zijn er ook een paar zeer zeldzame foto's die ons vertellen hoe de flat er in die periode uitzag. Door een bizar toeval bezochten een journalist en fotograaf in juli 1960 de flat, omdat ze een artikel over zogenaamde Beatniks wilden maken. Beatniks, jongeren die in de voetsporen van de Beat Poets wilden leven. Ze waren een doorn in het oog van de gevestigde orde en dankbaar onderwerp voor een sensatiekrant. Een foto van hoe deze jongeren leefden zou uitermate illustratief zijn. Op het moment waarop geen van The Beatles aanwezig waren, schoot de fotograaf zijn plaatjes van de overige flatbewoners. Op 24 juli 1960 verscheen het artikel This Is The Beatnik Horror in de zondagse krant The People. De fotograaf had op elke plek in Engeland kunnen binnenstappen, maar koos stomtoevallig voor Gambier Terrace 3, downtown Liverpool.

Beatnik Horror: de bewuste foto's die het interieur tonen van de flat waar Stuart en John woonden
en Paul en George vaak verbleven, juli 1960.



Het meisje met de mand
De foto's hadden trouwens een vervelend effect. De verhuurder van het appartement kreeg de krant onder ogen en sommeerde hoofdhuurder Rod Murray zijn boeltje te pakken. Zo kwam het dat op 15 augustus 1960 alle zogenaame Beatniks, inclusief Stuart Sutcliffe en John Lennon op straat stonden. (Diezelfde week zouden The Beatles voor het eerst naar Hamburg afreizen.) Het blijft fantastisch dat die interieurfoto's er nog zijn! Ze brengen ons heel dicht bij het verhaal van de jonge Beatles, vlak voor hun Hamburg-periode. Maar....wat had ik graag een foto geplaatst van die sympathieke Pat Moran. Het lukte me niet om er eentje te vinden. Paul McCartney herinnert zich Pat nog levendig: het meisje met de mand vol eten. De eerste Beatlesfan. Wij zien haar wel voor ons. Ik vind het een prachtig verhaal.

zaterdag 17 november 2018

Waar horen we de invloed van latin music op de nummers van The Beatles?

Op de deluxe versie van de jubileumbox van The White Album die vorige week verscheen, vinden we een bijna vier minuten durende knotsgekke studio-jam met de titel Los Paranoias. De improvisatie gaat nergens over (en gaat ook nergens heen), maar amusant is 'ie wel. Hebben jullie 'm al beluisterd? Deze melige hint naar latinmuziek, riep bij mij de vraag op of de genoemde muziekstijl eigenlijk invloed heeft gehad op het repertoire dat The Beatles schreven. Eerder dit jaar had ik het al over John Lennons No Reply, dat ritmisch behoorlijk wat latin-trekjes vertoont. Er moet meer zijn.


Latin was best populair in de early sixties
Deze week leek het me dus aardig om eens een aantal songs uit het oeuvre van The Beatles op een rij te zetten die duidelijke latin-trekjes hebben. Nummers die The Fab Four in hun jonge jaren coverden en composities van hun eigen hand. Terwijl we dit weekend de temperaturen 's nachts richting het vriespunt zien gaan en we onze kachels wat hoger opstoken, is het best aantrekkelijk om op zoek te gaan naar het latingevoel in de muziek van The Beatles. Latin was best populair eind jaren '50 en begin jaren '60. Evenals de daar aan verwante calypsomuziek, trouwens. Menig exotisch ritme vond zijn weg in een popnummer: There is a rose in Spanish Harlem schalde uit de transistorradio's.



Met Lord Woodbine hadden The Beatles een exotische link
Tijdens de latin- en calypso-rage, die zeker niet aan Liverpool voorbij ging, moeten The Beatles de nodige exotische ritmes hebben gehoord. Was het niet via de radio, dan was het in de Liverpoolse clubs waar ene Harold Philips met zijn band speelde. Deze Lord Woodbine, zoals de beste man beter bekend was, werkte samen met Allan Williams, die op zijn beurt als een soort 'eerste manager' van The Beatles gezien kan worden. Philips vergezelde The Beatles op hun eerste reis naar Hamburg en het schijnt dat hij incidenteel wel eens percussie speelde tijdens de sets van de Fab Four. Kortom: exotische ritmes waren The Beatles niet vreemd. Een kleine zoektocht leidde me naar de volgende voorbeelden.

Lord Woodbine (links zittend) op de fameuze foto die op 16 augustus 1960
in Oosterbeek werd gemaakt. The Beatles waren onderweg naar Hamburg.


Three Cool Cats
Op 1 januari 1962 meldden zich vier piepjonge muzikanten uit Liverpool zich bij de Decca-studio's in West-Hampstead, Londen. Een beetje brak en vast ook wel nerveus. Manager Brian Epstein had het eindelijk voor elkaar dat zijn groep een heuse auditie voor Decca Records mocht doen. Brian bemoeide zich in die tijd met alle aspecten van het Beatles-imago. Dus ook met de setlijst van die dag. Hij zag er persoonlijk op toe dat Three Cool Cats gespeeld werd. Een nummer dat al enige tijd op het repertoire stond dat The Beatles, toen nog met drummer Pete Best, in The Cavern en allerlei zaaltjes in en rond Liverpool speelde. George Harrison zong dit latin-nummer dat in '58 door Leiber en Stoller werd geschreven en door The Coasters op de plaat werd gezet. Welke versie heb ik hier te pakken? Jullie kunnen het me vast vertellen:



Bésame Mucho
In tegenstelling tot Three Cool Cats kende Bésame Mucho wel een echte latin oorsprong. De Mexicaan Consuelo Velasquez schreef het in 1940. Het werd uiteindelijk het meest gezongen en gecoverde Mexicaanse popnummer aller tijden. Toen The Beatles dit zoete liedje aan het begin van hun bestaan op het repertoire zetten, was het al een echte klassieker. Bésame Mucho was in 1944 in twee films te horen en moet een aantal jaren de aandacht van Paul McCartney, die nogal van het klassieke big band- en Hollywoodrepertoire hield, hebben getrokken. McCartney kon de prachtige melodie dan ook als een ware 'crooner' zingen:



Till There Was You
In diezelfde categorie valt het al even zoetsappige Till There Was You dat in 1957 opdook in de musical The Music Man. Het nummer was eind jaren '50 en begin jaren '60 een aantal keren een hit en vond haast als vanzelfsprekend zijn weg op de setlist van The Beatles. Misschien inspireerde het de band qua feel uiteindelijk wel tot And I Love Her. Die connectie schiet me ineens te binnen.



I Feel Fine
De latin sloop ook af en toe in eigen composties van Lennon en McCartney. Dat zat hem bij I Feel Fine natuurlijk helemaal in het inventieve ritme dat Ringo Starr drumde. Toch was de groep vaak ook eerlijk over inspiratiebronnen. Paul McCartney zei ooit dat het ritme van What'd I Say van Ray Charles de feel van I Feel Fine stevig beïnvloed had. Het valt ook bijna niet te ontkennen. Zo inventief waren The Beatles hierin dus ook weer niet.



And I Love Her
1964 leek voor The Beatles wel het jaar van de latin. Ook in deze Lennon-McCartney original zit een duidelijke Zuid-Amerikaanse feel. Niet alleen door de percussie. Ook in de gitaarpartij die George Harrison componeerde en inspeelde. Hij leverde daarmee één van zijn eerste grote bijdragen aan een liedje van het songschrijversduo waartegen hij in die tijd nog maar nauwelijks op kon boksen. De melodie is even eenvoudig als effectief.



No Reply & Mr. Moonlight
Hoewel John dit nummer in 1964 in Tahiti schreef, is er aan de tekst en het arrangement weinig exotisch te beleven. Aan het ritme des te meer. We horen in het grootste deel van No Reply toch wel een latin groove. Ringo varieert daarhij fijn met de afterbeat op de snaredrum. Wie trouwens weet welk ritme we hier horen, mag het zeggen. Dat geldt ook voor de klassieker Mr. Moonlight, die naast No Reply een plekje kreeg op het Beatles For Sale-album.



Fantasie-Spaans op Sun King
Met het fantasie-Spaans op Abbey Road's Sun King in mijn achterhoofd, ben ik weer terug bij de gein die The Beatles op 16 september 1968 met Los Paranoias uithaalden. Niet alle vier de Beatles trouwens. Ringo Starr had een shaker in zijn hand, John Lennon tikte op een ander percussie-instrument en Paul was verantwoordelijk voor het gitaarspel en de bijbehorende vocale onzin. George Harrison hing elders uit. Gone Troppo, waarschijnlijk.


zaterdag 16 juni 2018

Op pad in Hamburg, deel 1: Mach Schau!

Aunt Mimi moest wel even tot tien tellen toen John Lennon haar in de zomer van 1960 vertelde dat hij met The Beatles naar Hamburg zou gaan. Ze sputterde wat tegen over een City of Sin, maar besefte al snel dat niets haar 19-jarige neef tegen kon houden om af te reizen naar de Noord-Duitse havenstad. Liever had ze hem zijn diploma zien halen, maar John was vastbesloten. In Hamburg kon hij avond aan avond optreden met zijn band, voor een prima salaris. Dus vertrok hij op dinsdag 16 augustus 1960. Samen met Paul McCartney, George Harrison, Stuart Sutcliffe en Pete Best; de vijf oer-Beatles, aangevuld met een gezelschap rond hun manager Allan Williams.

De bus van The Beatles wordt op de boot naar Hoek van Holland getakeld

Oostwaarts, in de voetsporen van The Fab Four
Met tien man in een busje, via Hoek van Holland, Arnhem en zo de Duitse grens over naar het noorden. Bijna 58 jaar later zaten wij er denk ik heel wat comfortabeler bij, afgelopen week in de internationale trein. Toen de deuren open schoven en ik vanaf het perron in Deventer wilde instappen, stond Jan Cees ter Brugge me op het balkon al met een brede glimlach op te wachten. Ik kon me bij hem, Michiel Tjepkema en Wibo Dijksma voegen in zo'n knusse coupé zoals we die kennen uit de Beatlesfilm A Hard Day's Night. Zo gleden we Deventer uit, oostwaarts, in de voetsporen van The Beatles. Op dat moment konden we nog niet vermoeden hoe onvoorstelbaar dicht we in die voetsporen zouden treden.



Dezelfde sokken
Ik ben er klaar voor, grapte ik, terwijl ik op mijn Yellow Submarine-sokken wees, die nog net boven de rand van mijn sneakers te zien waren. Het leek me alvast een leuke link naar het concert van Ringo Starr dat we zondagavond in Hamburg zouden bezoeken. Met een grote glimlach schoven Michiel en Wibo direct hun broekspijpen omhoog om mij hún submarine-sokken te tonen. Met onze golflengte zat het dus wel goed dit weekend. Dat concert van Ringo was voor ons een mooie aanleiding om samen naar Hamburg te gaan, maar er was natuurlijk ook een ander doel: rondkijken in de stad waar The Beatles als piepjonge jongens, af en aan, tussen 1960 en 1962, de eerste stappen in hun carrière zetten. Met wisselend succes, onder erbarmelijke omstandigheden.

George Harrison in het slaaphok van de Bambi Kino


Op zoek naar de verhalen
Dat rondlopen in het decor waar The Beatles speelden en woonden, stelde ons in staat om, elk op onze eigen manier, een reconstructie te maken van een rommelige periode uit de Beatlesgeschiedenis. Al podcastend en bloggend waren we van plan het verhaal te reconstrueren. Voor onszelf, maar ook voor iedereen die altijd zo enthousiast meeluistert en -leest. Je kunt er natuurlijk de boeken op naslaan, maar iets gaat pas leven, als je het met eigen ogen gezien hebt. Het stelt je in staat de verhalen levensecht te vertellen. Dat wilden we denk ik alle vier. Hamburg werd zodoende een nieuw hoofdstuk, voor de heren van de Fab4Cast en voor mij als blogger.


Naar de beruchte Reeperbahn
De thermometer tikte de 30 graden aan en de stad sloot zich als een warme deken om ons heen, toen we naar het hotel liepen. Onze avond bestond uit een maaltijd op een terras, een ijsje in de stad en vele gesprekken over The Beatles. Het perfecte opwarmertje voor het zondagse programma. De zondag was namelijk bestemd voor St. Pauli, de wijk waar het zich begin jaren '60 allemaal afspeelde. Na het ophalen van wat podcast-herinneringen in het hotel (de heren hebben er inmiddels 99 uitzendingen op zitten), stapten we zondagochtend dan ook in de metro, op weg naar de beruchte Reeperbahn: het startpunt van onze ontdekkingstocht. 




Het silhouet van Stuart Sutcliffe stond apart
Wat een andere wereld, vergeleken met het gebied rondom Hamburg Hauptbahnhof.... De Reeperbahn is een vrij drukke, brede weg, die als een rommelig lint door de wijk St. Pauli ligt. Op de hoek met de Grosse Freiheit stonden we ineens op Beatles Platz. Een pleintje dat als monument is ingericht en zodoende de entree markeert van de straat waar The Beatles 58 jaar geleden met hun busje in reden. Vijf figuren van staal stonden ons op te wachten. Ze vormen de silhouetten van John Lennon, Paul McCartney, George Harrison, Stuart Sutcliffe en....Pete Best of Ringo Starr. Doordat de figuren geen gezichten hebben, kun je als bezoeker zowel Pete (de eerste drummer) als Ringo (die later aansloot) in de sculpturen zien. Slim opgelost! Wat me opviel was het beeld van Stuart. Het stond een beetje meer naar rechts, duidelijk los van de groep. Daarmee symboliseert het waarschijnlijk de eigen weg die Sutcliffe uiteindelijk in Hamburg koos. En zijn dood wellicht. De tragedie die daar in schuil ging, raakte me wel.

Panoramafoto van de kruising Reeperbahn - Grosse Freit met rechts
Jan Cees en Wibo en de silhouetten van het Beatlesmonument.
Het silhouet van Stuart Sutcliffe staat uiterst rechts.

Kapot glaswerk, etensresten en de geur van urine
De Reeperbanhn en de Grosse Freiheit zijn ronduit aftandse, vieze, ja zelfs smerige straten. Vergane glorie. Waarschijnlijk precies zoals het er 58 jaar geleden al was. Dus of die glorie er ooit voelbaar is geweest....? Ik weet het niet. Op deze zondagochtend was de sfeer van de zaterdagavond nog voelbaar. Overal lege flessen, kapot glaswerk, etensresten, uitwerpselen, de geur van urine... De locals nipten aan hun eerste kop koffie, staand bij de vele barretjes, die net hun deuren weer hadden geopend. In hun ogen zag ik vooral het harde leven dat dit deel van de stad kenmerkt. Leven om te overleven. Lennon was destijds 19, McCartney net 18 en Harrison 17. Liverpool was ook een ruige stad, maar wat zullen deze jongens in de vroege ochtend van 17 augustus 1960 hun ogen uitgekeken hebben toen hun bus de straat inreed. Ook toen waren de sporen van de voorgaande nacht ongetwijfeld nog overal zichtbaar. 

Achter ons ligt de Grosse Freiheit. De plek waar The Beatles op 17 augustus 1960 arriveerden.

Een plek om te slapen
De Indra Club, op nummer 64 was uiteraard nog gesloten toen de band arriveerde. Al snel werd er iemand gevonden die de jongens binnen kon laten. Doodmoe lieten ze zich in een aantal stoelen zakken om eerst een paar uur te slapen. Diezelfde avond stonden The Beatles er al op het podium. Een goede plek om te verblijven was er niet, maar via via belandden ze een stukje verderop, om de hoek in de Bambi Kino. Een kleine bioscoop, waar zich achter het doek een kamertje bevond, waar de mannen wel konden slapen. Zo liepen wij ook van de Indra Club, waar ook wij voor gesloten hekken stonden, naar die Bambi Kino. Een oud pand, inmiddels verscholen achter behoorlijk wat begroeiing, op nummer 33 in de Paul Roosen Strasse.



We konden de deur van de voormalige Bambi Kino open duwen...
We stonden voor een garagedeur, waarop nog een Bambi-hertje geschilderd staat. Het waren trouwens geen Walt Disney-films, die hier vertoond werden. Dat mag duidelijk zijn. Een bordje naast de voordeur verwijst nog naar The Beatles. Zachtjes duwden we tegen de voordeur. Hij bleek open te zijn. We konden het pand in en ontdekten ergens de ruimte waar vermoedelijk het bioscoopje was en The Beatles die eerste nachten moeten hebben geslapen. Hoe dat precies ging en hoe het er nu uitziet, horen jullie eind juni in de podcast. In deze koude en vieze ruimte stonden destijds twee stapelbedden waar de jongens onder een paar Engelse vlaggen (!) konden slapen. Het was er ijs- en ijskoud, herinnerde Lennon zich later. De groep sliep pal naast de stinkende toiletten, werd de volgende dag wakker van het geluid van de bioscoop en kon slechts wat koud water uit de wc's gebruiken om zich op te frissen. Daar stonden wij nu, midden in dat stuk Beatlesgeschiedenis.

In het pand, gluren door de brievenbus van de grootste,
naastgelegen ruimte. Vermoedelijk de filmzaal met de
achtergelegen ruimte waar The Beatles mochten slapen.


Een primitief podium van planken en bierkisten
Dagelijks legden The Beatles de korte afstand tussen de Bambi Kino en de Indra Club af. Elke avond moest er gespeeld worden, tot diep in de nacht.




17 augustus 1960: The Beatles tijdens hun eerste optreden in de Indra Club.
vlnr: John, George, Pete, Paul en Stuart.

Van de Indra naar de Kaiserkeller
De Indra Club ging uiteindelijk dicht vanwege te veel geluidsoverlast en The Beatles konden het ergens anders ook wel beter krijgen. Op 4 oktober 1960 klom de groep een trede op de ladder en werden de gitaren een stukje verderop, in de Kaiserkeller, in de versterkers geplugd. We stonden er met een paar stappen: een wat grotere club, uiteraard ook gesloten op deze zondagochtend, waar aan de gevel nog een kopie van het oude contract dat The Beatles met de club sloten, te zien was. Ook hier ging het moordende speelschema door. Avond na avond, tot diep in de nacht moest de band het uiterste uit zichzelf halen, terwijl eigenaar Bruno Koschmider regelmatig naar het podium liep en Mach Schau!!! Mach Schau!!! schreeuwde. Daarmee daagde hij The Beatles uit tot steeds gekkere performances, waaraan een boel lol te beleven was voor het ruige zeemanspubliek dat de Keller frequenteerde. Het podium waarop de muzikanten stonden bestond uit planken die op een aantal bierkisten rustten. Primitiever kon het niet.




In de Top Ten Club was alles beter
Eind oktober verruilden The Beatles de Kaiserkeller voor de Top Ten Club van Peter Eckhorn, om de hoek aan de Reeperbahn 136. De groep kon er meer geld verdienen, over een betere installatie spelen en iets comfortabeler slapen in de ruimte boven de club.

Een fantastische actiefoto van McCartney en Lennon in de Top Ten Club

Verraad
Bruno Koschmider voelde zich verraden door zijn Engelse artiesten en strafte de contractbreuk af door George Harrison bij de politie aan te geven. Harrison was nog maar 17 en had geen werkvergunning. Hij moest zodoende direct het land uit en werd op 21 november 1960 op de trein naar Engeland gezet. Paul McCartney en Pete Best liepen een paar dagen later naar de Bambi Kino om hun laatste spullen te verzamelen en staken een condoom aan om wat licht in de duisternis te maken. Dat resulteerde in een brandje. Dat brandje was overigens een prima actie om wraak te nemen op hun baas. Het tweetal werd er voor opgepakt en in de cel van het Davidwache Politiebureau gegooid. Een plek waar we ook langs liepen.



Allemaal het land uit, Stuart bleef achter bij Astrid
Ook Paul en Pete werden het land uitgezet en zaten al snel op de trein richting Liverpool. John volgde enkele dagen later en Stuart, die zich niet fit voelde, bleef achter bij zijn kersverse vriendin Astrid Kirchherr, om een beetje op te knappen. In januari 1961 vloog hij met van de familie Kirchherr geleend geld terug naar Liverpool om zich bij zijn maten te voegen.

Stuart in 1960, gefotografeerd door Astrid Kirchherr

De zondag had nog veel voor ons in petto
Daarmee eindigde het eerste avontuur van The Beatles in Hamburg. Dat geldt op dit punt in het verhaal zeker niet voor ons Hamburgse avontuur. De zondag had nog heel wat prachtigs voor ons in petto. Gebeurtenissen die onze eigen verwachtingen zouden overtreffen.

Daarover vertel ik jullie graag volgende week meer!