zaterdag 21 november 2020

Veertig jaar Double Fantasy, het album dat John Lennons afscheid werd (met podcast)

Deze week is het 40 jaar geleden dat John Lennons zijn laatste album uitbracht. Op 17 november 1980 zag Double Fantasy het levenslicht. Drie weken voor de bewuste avond van 8 december, waarop John van het leven beroofd werd (en de wereld van hém). Tijd om stil te staan bij de laatste muziek die hij, bij leven, met de wereld deelde. Wat was Double Fantasy voor album? Welke plek neemt de plaat in, als we kijken naar het solo-oeuvre van John Lennon?

John hield Paul in de gaten
Het mag onlogisch of verrassend klinken, maar eigenlijk was Paul McCartney een beetje verantwoordelijk voor het ontstaan van de songs die John Lennon voor Double Fantasy schreef of afmaakte. In 1980 hadden beide jeugdvrienden en ex-Beatles een decennium met ups en downs achter de rug. Er waren wrijvingen, er werd met modder gegooid, weer ruimhartig vergeven, bijgepraat en zelfs in benevelde toestand nog eenmaal muziek gemaakt. Intensief contact was er niet meer, bij de start van de jaren '80, maar John hield Pauls muzikale carrière vanuit de Verenigde Staten goed in de gaten. Toch werd hij in het voorjaar van 1980 verrast toen hij Pauls nieuwe single op de autoradio hoorde. Het frisse, funky geluid van Coming Up beviel hem. En het zette iets bij hem in beweging...


Een gitaar, een drummachine en twee cassetterecorders
Die zomer reisde John naar Bermuda, waar hij tijdens een hachelijke zeilreis een tweede impuls kreeg om weer te gaan schrijven. Hij herwon zijn zelfvertrouwen, streek neer in een villa op het zonnige eiland en ging aan de slag met zijn gitaar, drummachine en twee cassetterecorders. Daarmee kon hij zichzelf overdubben. Onder deze eenvoudige omstandigheden begon John demo's op te nemen van songs die op zijn laatste album terecht zouden komen. Yoko was die weken niet bij hem, maar vloog één keer voor een weekend naar hem toe. Zij hield zich in New York bezig met haar eigen creatieve en zakelijke beslommeringen, maar de twee wisselden regelmatig telefonisch hun ideeën uit. 

John op Bermuda, zomer 1980

Een bloem als inspiratie
Ook Yoko bouwde aan een voorraad nummers, gesterkt door Johns enthousiasme over haar toenemende kansen om door het mainstream publiek geaccepteerd te worden. Op Bermuda hoorde John Rock Lobster van The B52's uit een disco schallen en herkende daarin Yoko's stijl. Instant. Double Fantasy zou dan ook een plaat worden waarop John en Yoko een huwelijkse dialoog wilden voeren: hun nummers werden om en om op het album gezet. De plaat zou dan ook 'A Heart Play' als ondertitel krijgen. Tijdens een bezoek aan de botanische tuinen van Bermuda besloot John het album Double Fantasy te noemen, naar een fresia-soort, genaamd 'Fantasy', met een dubbele bloemvorm die hij er ontdekte. Vandaag de dag prijkt dit monument in de tropische tuinen:


Generale repetitie in The Dakota
De sessies voor het album vonden plaats tussen begin augustus en half oktober 1980 in de Hit Factory in New York City. Niet de grootste en meest prestigieuze studio die de metropool rijk was, maar wel de perfecte plek om, juist onder de radar van pers en publiek, te bouwen aan wat een comeback-plaat zou moeten worden. Dat 'bouwen' ging trouwens in grote vaart. Producer Jack Douglas zocht voor John de crème de la crème van de New Yorkse sessie-musici bij elkaar en bereidde de sessies goed met hen voor. Dat deed hij op basis van de demo-tapes die Yoko hem tijdens een bijzondere en geheime missie (per vliegtuig) overhandigd had. Aan de vooravond van de eerste opnamedag ontvingen John en Yoko hun 'crew' zelfs nog in hun appartement in The Dakota om de laatste puntjes op de i te zetten. En zo ging het project van start.


Beatlesnummers inzetten
De Double Fantasy-sessies verliepen vlot en soepel, met een gedreven en goedgemutste John Lennon aan het roer. Alsof hij nooit weggeweest was uit de studio. We horen het op de vele 'fly on the wall'-opnames die van die weken bewaard zijn gebleven. Producer Jack Douglas liet een tape meelopen en nam zo ook alle studiogesprekken op. Zo weten we dat John regelmatig op een ontspannen manier naar zijn Beatlestijd verwees en dat er zelfs af en toe een Beatlesnummer werd ingezet. De bandleden speelden ook mee op Yoko's composities, die sterker in de op dat moment populaire new wave-stijl werden vormgegeven. De muzikanten van Cheap Trick werden tevens kort ingevlogen om hun bijdrage aan de sessies te leveren. Johns muziek was soms nostalgisch (Just Like Starting Over), persoonlijk (I'm Losing You), liefdevol (Beautiful Boy) en bezat af en toe ook weer die knappe universele insteek (Woman) die zijn nummers zo tijdloos maakt.


Gezinsgeluk versus New Wave
Double Fantasy lag half november in de schappen, mooi op tijd voor de naderende feestdagen. Terwijl John en Yoko zich onderdompelden in promotionele activiteiten, nieuwe studiosessies én er plannen werden gemaakt voor een wereldtournee in 1981, reageerde de pers aanvankelijk wat lauw op Johns comeback. Aan de uitstekend geproduceerde sound lag niet het zozeer, maar het was voor een aantal critici even wennen dat de gedreven en activistische John Lennon van weleer had plaatsgemaakt voor een tevreden huisvader die zijn gezinsgeluk bezong. Yoko Ono viel meer lof ten deel. Niet zozeer om haar vocale prestaties, maar omdat ze de New Wave-tijdgeest beter in haar nummers had weten te vatten. Iets dat Yoko overigens grotendeels te danken had aan de uitstekend spelende band.

De Stripped Down-versie is een hele nieuwe luisterervaring
Hoewel het album zich gestaag een weg naar de hoogste regionen van de hitlijsten probeerde te banen, schoot het pas naar nummer 1 na de tragische gebeurtenissen die drie weken later plaats zouden vinden. Erkenning kwam er postuum, onder andere in de vorm van een Grammy Award voor 'Best Album Of The Year' [zie: de ontroerende beelden]. In 2010 verscheen het album in geremixte vorm, getiteld Double Fantasy Stripped Down, ontdaan van alle overdubs. Ik beluisterde het deze week op een goede hoofdtelefoon en werd, door het pure geluid, gegrepen door Johns stem in I'm Losing You, het prachtige baswerk van Tony Levin in Clean Up Time en Beautiful Boy en de extra tedere versie van Woman. Kun je het album ergens online streamen, beluister het beslist eens. Net als de podcastaflevering van Fab4Cast die deze week verscheen. Ik mocht daar ook een bijdrage aan leveren. We nemen je mee terug naar 1980, de studio in, met het nodige interessante luistervoer rond de totstandkoming van Double Fantasy.



Minder urgent, maar even oprecht
Welke plaats neemt Double Fantasy in, als we kijken naar het solo-werk van John Lennon? Misschien hebben velen de plaat nooit echt kunnen omarmen, vanwege de prominente rol die voor Yoko was weggelegd. Misschien was het contrast tussen Johns en Yoko's nummers te groot en leverde de op zichzelf goed bedachte insteek van een dialoog tussen man en vrouw in de praktijk toch minder synergie op. Door de critici mag Johns deel van het album 'minder urgent' hebben geklonken, eigenlijk was hij oprecht als altijd. Met het goed geproduceerde, vakkundig ingespeelde en zeer prettig klinkende album Double Fantasy liet John Lennon zien en horen waar hij op dat moment in zijn leven stond. Vol energie om een comeback te maken. Het bleek een afscheid.

zaterdag 14 november 2020

Yesterday: de gedroomde klassieker waarover Paul McCartney zo twijfelde

Achteraf bezien lijkt het allemaal zo vanzelfsprekend, hoe goed de muziek van The Beatles ons in de oren klinkt. Althans, je realiseert je niet hoe bijzonder sommige creatieve keuzes waren die de jongens of hun producer en arrangeur George Martin destijds maakten. Voor mij geldt dat zeker. Zo sta ik eigenlijk nooit stil bij wat het nummer Yesterday betekend heeft. Als hersenspinsel van Paul McCartney, maar ook zeker als resultaat van Pauls samenwerking met George Martin.


McCartney en Martin, dat werkte goed samen
Van alle vier de Beatles was Paul McCartney degene die creatief het dichtst bij George Martin stond. Dat kunnen we onderhand denk ik wel concluderen. McCartney kreeg van huis uit zijn brede interesse voor amusements- en big band-muziek mee. Hoewel hij als puber in de ban raakte van Rock 'n' Roll, was er ook altijd die hang naar het luisteren, zingen en schrijven van liedjes uit dat andere genre. Dat moet er ongetwijfeld voor gezorgd hebben dat de klassiek geschoolde George Martin met zijn ideeën en arrangementen juist op dat talent van McCartney kon voortborduren. De twee wisten elkaar tijdens en tot ver ná het uiteengaan van The Beatles nog vaak te vinden.



Paul twijfelde aan zichzelf
Zou Yesterday het eerste nummer zijn geweest waarmee McCartney en Martin buiten de standaard werkwijze van The Beatles samenwerkten? Ik denk het haast wel. Volgens George Martin schreef Paul Yesterday al in januari 1964, in het George V-hotel in Parijs. Dat zou betekenen dat McCartney nog anderhalf jaar onder de pet hield, voor hij het medio 1965 opnam. Dat Paul er niet direct mee naar de studio rende terwijl de spreekwoordelijke inkt nog nat was, is waar. Hij twijfelde namelijk ernstig aan zichzelf. Het klinkt haast te romantisch, maar McCartney werd op een ochtend wakker met de melodie van Yesterday in zijn hoofd. Alsof het lied in een droom tot hem gekomen was. De piano was dichtbij, hij legde zijn vingers op de toetsen en speelde de oerversie van het liedje dat Yesterday zou worden. Het is een overbekend verhaal, maar het moet even aangestipt worden, als we het over deze ballad hebben.


Eitje?
"Dat gaat verdacht makkelijk," moet McCartney gedacht hebben. Dus speelde hij de melodie van Yesterday in de maanden daarna aan verschillende voor, met de vraag of ze hem herkenden, las ik in Ian MacDonald's "Revolution In The Head," dat zo mooi, inhoudelijk en to the point het verhaal achter elk Beatlesnummer vertelt. McCartney vergeleek de totstandkoming van Yesterday met het leggen van een ei: "It's like an egg being laid - not a crack or flaw in it." Die vergelijking met een ei was trouwens best grappig: nog voordat Paul de officiële tekst schreef, zong hij "Scrambled eggs, oh my baby how I love your legs." Een heerlijke, banale oerversie, die later stevig op de schop ging.


Moeiteloos van I'm Down door naar Yesterday
In de aanloop naar zijn drieëntwintigste verjaardag werkte Paul in EMI Studio 2 met George Martin aan de opname van Scrambled Eggs, dat inmiddels was omgedoopt tot Yesterday. Op maandag 14 en donderdag 17 juni 1965, om precies te zijn. Het was vocaal even schakelen, die maandagavond, want 's middags had Paul aan het folky I've Just Seen A Face gewerkt, gevolgd door het met zijn Rock 'n' Roll-kopstem gezongen I'm Down. Die avond hing hij zijn Epiphone-gitaar om en deed hij twee takes van Yesterday. Paul speelde het nummer in G, maar stemde zijn gitaar een toon lager, waardoor we het in F horen. Waarom zou hij dat gedaan hebben? Alleen maar omdat het lekkerder speelde? Bij The Ed Sullivan Show speelde Paul overigens in F, maar tijdens de Beatles-tours in 1965 en 1966 bracht de voltallige band Yesterday wel een toon hoger, in G. We zien en horen het bijvoorbeeld hier, in Munchen [video], een versie die nog maar weinig met het origineel te maken heeft:




Angst voor het Mantovani-effect
"We agreed that it needed something more than an acoustic guitar, but that drums would make it too heavy," vertelde Martin, die vervolgens zelf voorstelde om een strijkkwartet in te vliegen. Na wat twijfel en angst voor een kitscherig Mantovani-effect, stemde McCartney in. Martin en McCartney werkten samen aan het arrangement. In mijn hoofd was het beeld ontstaan dat Paul McCartney als enige Beatle aanwezig was, terwijl hij Yesterday, met hulp van een strijkkwartet opnam. Dat klopt niet. Hoewel hij als enige Beatle op de opname te horen is, waren de overige Beatles vermoedelijk allemaal aanwezig bij de opname. Zo is de stem van George Harrison duidelijk te horen op de tapes van de sessie, lees ik in Mark Lewisohns "Recording Sessions". 



Napraten in de kantine
Het strijkkwartet bestond uit Tony Gilbert en Sidney Stax (beiden viool), Francisco Gabarro (cello) en Kenneth Essex (altviool). McCartney zou de cellist ongeveer een week later in de kantine van de Abbey Road studio's vrolijk hebben toegeroepen: "We have a winner with that Yesterday." Met andere woorden: Alle twijfel was verdwenen. Paul voelde dat hij iets speciaals gemaakt had, al zou het nog even duren voordat de wereld het zou horen.

Francisco Gabarro


Een stap vooruit en een groot commercieel succes
Yesterday was een stap vooruit in het denken over hoe popmuziek ook kon klinken. Deze eerste kennismaking met klassieke instrumenten, inspireerde The Beatles na 1965 tot veel meer. Via Eleanor Rigby (strijkers) en For No One (hoorn) ging de deur naar een diverser en breder geluid steeds verder open. Wat dat betreft was Yesterday van groot belang in de toch al razendsnelle ontwikkeling die The Beatles als band doormaakten. Om over het commerciële succes van het nummer maar te zwijgen. Daarover schieten superlatieven tekort. Yesterday werd één van de meest gecoverde liedjes uit de geschiedenis van de popmuziek, met minstens 1600 cover-versies. Paul mocht in 1965 al een Ivor Novello Award voor zijn ballad in ontvangst nemen maar zag een jaar later de Grammy op het nippertje naar Tony Bennett's The Shadow Of Your Smile gaan. You can't have it all.

zaterdag 7 november 2020

Over de radioserie Get Back en...die ene aflevering (Is Paul McCartney Dood?)

In 1987, toen ik een jaar of twaalf was, ging ik iedere maandagavond naar de koorrepetitie. Al snel had ik mijn weg naar het drumstel en niet veel later naar de piano gevonden. Dat waren best gezellige avonden, maar toen de AVRO op 5 oktober van dat jaar startte met de radioserie Get Back, had ik een probleem. Hoe kon ik de 26 delen van deze serie, op maandagavonden tussen 19.00 en 20.00 uur volgen, terwijl ik repetitie had? Radio was er alleen lineair: niets internet, niets online terugluisteren.


Mijn ouders draaiden het cassettebandje om
Gelukkig begon Hans Schiffers met zijn prachtige stem iets na het nieuws van 19.00 uur te vertellen. Het waren de verhalen die Jan Cees ter Brugge, Evert Vermeer en Koop Geersing als samenstellers hadden voorbereid. Om iets over zevenen drukte ik mijn cassetterecorder aan, waarna ik nog tien minuten naar de uitzending luisterde, voor ik weg moest. Tegen half acht postte één van mijn ouders bij de cassetterecorder, om het bandje zo snel mogelijk om te draaien. 's Avonds laat, in bed, luisterde ik de hele uitzending terug. Soms was er wel eens een hap uit het verhaal, omdat er iets tussen was gekomen om dat bandje precies op tijd om te draaien. Telefoon, visite, zoiets. Toch was ik enorm blij met 26 uur radio over The Beatles. Luisterden jullie ook?




Is Paul Dood? Dat ene bandje heb ik nog steeds
Omdat ik geen 26 cassettebandjes had, spoelde ik regelmatig nieuwe uitzendingen over oude opnames heen. Veel van het materiaal liet ik dus verloren gaan. Na al die jaren was er echter één cassette die ik nooit wiste: "Is Paul dood?" schreef ik op de rug van het doosje. Het bandje heb ik nog steeds. Als tiener was ik onder de indruk van de theorieën rond de vermeende dood van Paul McCartney en.... nog meer van de spannende manier waarop daarover in de radioserie Get Back verteld werd. Met grote ernst en precisie werd het verhaal opgebouwd, ondersteund door spannende (speciaal voor de aflevering gecomponeerde) muziek. Er was nog geen internet. Ik had alleen die paar Beatlesboeken uit de openbare bibliotheek tot mijn beschikking. Deze radio-uitzending met alle theorieën, hoe discutabel ook, sloeg in als een bom. 



De AVRO werd platgebeld
Dat vertelde Hans Schiffers ook in 2015 nog, in een persbericht van AVROTROS: "Die specifieke uitzending had een enorme impact. Zelfs tot in de Hitkrant werden er vragen over gesteld. Ik kan me herinneren dat de telefooncentrale van de AVRO helemaal was platgebeld en mij vroeg om een vrouw terug te bellen die totaal hysterisch was. Want het kon toch niet zo zijn dat Paul McCartney echt dood was? Die uitzending heeft de serie in één klap beroemd gemaakt." Als speciale gast in Fab4Cast haalde Hans Schiffers enkele jaren later herinneringen op. Aan de serie en aan die ene bijzondere aflevering:



Afgelopen zomer belde Radio 1
Natuurlijk is het allemaal nep, een hoax, een complottheorie, fictie. Dat weten we allemaal. Dat is ook de reden waarom ik er in mijn wekelijkse column nooit enige aandacht aan besteedde, zelfs niet als iemand daar om vroeg. Toch vond het verhaal mij alsnog: afgelopen zomer belde er een redacteur van NPO Radio 1, namens het geschiedenisprogramma J.G.L.W. (Jaren die ook Geen Lieverdjes Waren). Het programma staat wekelijks stil bij rellen, rampen en ongemakken uit één jaar uit het verleden. Een mooie en originele insteek voor een radioprogramma, vond ik. 



Geheime aanwijzingen
Op 24 juli 2020 was dat 1966: het jaar van Paul McCartneys vermeende dood. Op 9 november 1966 zou Paul om het leven zijn gekomen bij een auto-ongeluk en binnen The Beatles vervangen worden door een lookalike, ene William Campbell. Een Schot die een lookalike contest had gewonnen en daarna van de aardbodem zou zijn verdwenen. Om hun verdriet te uiten en hun geheim met de wereld te delen, stopten de overige Beatles geheime aanwijzingen in liedjes en elpeehoezen. Onzin, maar dat was de theorie. Een goed overzicht van de feitjes vind je hier.


"Wat een onzin is dit allemaal!"
Ik aarzelde toch even, toen ik door Radio 1 gebeld werd. Legde uit waarom ik zelf nooit aandacht aan dit onderwerp besteed had. Maar ja, ook dat rare complotverhaal hoort natuurlijk bij de enorme mythe die er rond The Beatles ontstaan is. Of ik er wat over wilde vertellen. Ik stemde toe. Het werd een leuk gesprek, waarin alle ruimte was dit gekke verhaal tot de juiste proporties terug te brengen. Dat het nog steeds wat oproept, bleek uit enkele reacties die NPO1 en ikzelf via social media kregen. Verontwaardigde reacties: "Wat een onzin is dit allemaal!" Inderdaad, daar is iedereen het over eens. Die onzin werd in het juiste perspectief geplaatst en voorzien van duiding.


De geluiden uit 1969
Edwin Wendt is niet alleen Beatlesliefhebber, maar ook radiokenner en -verzamelaar. Hij reageerde ook op de uitzending, maar juist aanvullend. Edwin wees me op een radio-uitzending van 21 oktober 1969, van het New Yorkse station WABC waarin dj Roby Yonge de geruchten over Pauls vermeende dood besprak. De opname geeft een indruk van de manier waarop het verhaal destijds zijn weg in de media vond [filmpje]



Theo Stokkink besteedde in 1979 aandacht aan het onderwerp
In het privé-archief van Edwin Wendt bevinden zich tevens drie afleveringen van het KRO-programma Walhalla (1979) waarin Theo Stokkink de Paul is Dood-theorie bespreekt. Ook beschikt Edwin over de befaamde Get Back-uitzending waarover ik hierboven schreef. Die uitzendingen hebben ooit een tijdje op internet gestaan, maar zijn weer verwijderd. Wie interesse heeft, zo schreef Edwin me, is van harte welkom om één of meer downloads van Walhalla of Get Back bij hem aan te vragen. Misschien ben je wel nieuwsgierig geworden naar die ene legendarische Paul-is-Dood-uitzending. Of wil je hem uit nostalgische overwegingen nog eens terughoren. Edwin Wendt is eenvoudig te vinden via Facebook of Twitter. Benader je hem liever via e-mail, dan kan ik je desgewenst zijn mailadres verstrekken. Edwin, dank voor jouw aanbod aan de lezers!


Meestgelezen artikel
Dat het onderwerp nog steeds tot de verbeelding spreekt, bleek uit het appje dat ik een paar dagen na het Radio 1-gesprek van de redacteur ontving: "Het is het populairste artikel op de website. Al ruim 11.000 keer gelezen!" Toch leuk. Heb je 't gemist? Dan kun je het gesprek zelfs terugkijken. Zo gaat dat tegenwoordig bij de radio. ;-)



zaterdag 31 oktober 2020

Hoe John Lennon in de jaren 70 een musical probeerde te schrijven

Nog steeds weet het levensverhaal van John Lennon me te verrassen. Zeker nu ik dit najaar, met het team van Fab4Cast, dieper in de laatste periode van Lennons leven duik. We bereiden een zesdelige podcastserie voor, getiteld 'De Laatste Dagen van John Lennon'. In die serie staan we vooral stil bij de maanden juni tot en met december 1980. Tijdens de research stuit je met elkaar onvermijdelijk op bijzondere verhalen die buiten die periode vallen. Verhalen waarvoor geen plek is in de podcast, maar die wel verrassend zijn. Voor mij althans. Want wisten jullie dat John Lennon in de jaren 70 heeft geprobeerd een musical te schrijven?




Laagdrempelig, goed behapbaar, hoog meezinggehalte
Dat verhaal, waarover Kenneth Womack in zijn nieuwste boek schrijft, kwam voor mij even onverwacht als de berichtgeving over het musicalproject van Paul McCartney. Deze zomer werd duidelijk dat hij werkt aan de liedjes voor een musicalbewerking van de film It's A Wonderful Life. Een klassieker uit 1946 waarvoor het script verbouwd wordt tot een productie op de planken. Met songs van McCartney dus. Nooit had ik nagedacht over de mogelijkheid dat John Lennon zich in een musicalproject zou storten. Op de één of andere manier vond en vind ik dat genre niet zo bij hem passen. Bij het schrijven voor musicals denk ik vooral aan een componist die zich in dienst kan stellen van het vertellen of bewerken van andermans verhaal. Net als van de behoefte van het publiek en de producent. Laagdrempelige songs, een goed behapbaar verhaal, hoog meezinggehalte. Ook al is het aantal bronnen hierover beperkt, Womack is niet de eerste de beste Beatles-researcher. Dus wat zou John Lennon hebben aangetrokken in de gedachte een musical te schrijven?


Zijn liefdesverhaal met Yoko 
We kennen Lennon als een man met het hart op de tong. Als iemand die zijn persoonlijke gedachten en gevoelens met de wereld wilde delen. In songs, interviews, tekeningen maar ook in proza. Want zo begon John aan zijn ambitieuze musicalproject. Vanuit de wens om zijn liefdesverhaal met Yoko Ono in de vorm van een musical te gieten. Een complete productie, die echt geschikt was om in de theaters gespeeld te worden. De titel had hij al: The Ballad of John and Yoko. Daarmee borduurde hij voort op het dagboek-achtige verslag over zijn wittebroodsweken, dat hij in 1969 nog met Paul McCartney op de plaat zette en als Beatlessingle uitbracht.


Met Rock 'n' Roll de cirkel rond
Al tijdens Yoko's zwangerschap in 1975 werden de contouren van het verhaal zichtbaar. Zittend achter zijn Brother schrijfmachine begon John zijn gedachten uit te werken. Over een leven in de schijnwerpers, met reflecties op de verleidingen en vernietiging die daarmee gepaard kunnen gaan. Inmiddels had hij zichzelf voor een belangrijk deel teruggetrokken uit dat leven in de schijnwerpers en dacht hij na over zijn rol als artiest. Voor hem was de cirkel rond. Hij was gestart met het spelen van rock 'n' roll en daar ook mee geëindigd. Daarmee doelde hij op zijn in februari 1975 verschenen album Rock 'n' Roll. Wanneer hij ooit weer zou opnemen, was dat alleen voor zijn eigen lol. Niet omdat hij het publiek iets verplicht was. We lezen het in de tekst 'The Ballad of John and Yoko' die postuum (1986) gepubliceerd werd in de verzamelbundel 'Skywriting by Word of Mouth'.




In de voetsporen van acteur David Niven
Eigenlijk was het voor een man als John Lennon alleen maar mogelijk om een musical over zijn eigen leven te schrijven. Lennon componeerde, anders dan McCartney wel eens deed, niet graag in de derde persoon. Bovendien ontwikkelde hij, zo las ik in 'John Lennon 1980' (Kenneth Womack), een fascinatie voor autobiografieën. Al zijn hele leven las John Lennon alles dat los en vast zat. In de laatste maanden van Yoko's zwangerschap genoot hij van het pas verschenen boek 'Bring On The Empty Horse,' de autobiografie van de Britse acteur David Niven (1910-1983). Wat Lennon zo aansprak in dat verhaal? Hij had het daar met fotograaf en huisvriend Bob Gruen over. John vond het prachtig dat Niven met half Hollywood bevriend was geweest, alle wilde feesten was afgelopen, ongetwijfeld velen ten onder had zien gaan, maar er zelf gezond uit was gekomen. 

De autobiografie van 
David Niven die John Lennon
met plezier las

Duidelijke parallel
Dat Niven uiteindelijk zelf de destructieve dans was ontsprongen, vond John prachtig. Hij zag een duidelijke parallel met zijn eigen leven. Tegen Bob Gruen zei John iets in de trant van: "I'm gonna be David Niven. They're all gonna go on getting drunk, but I'm gonna stay home and write the book." En dus begon John over zijn leven te schrijven. Een plan dat in 1976 langzaam veranderde in het samenstellen van een musical. Globaal had John de opbouw voor het stuk in zijn hoofd, vertelde hij zijn assistent Fred Seaman enkele jaren later. The Ballad of John and Yoko zou beginnen met zijn ontmoeting met Yoko in de Londense Indica Gallery. Dan zou het verhaal zich verplaatsen naar hun avonturen in Parijs. We zouden John in India bij de Maharishi aantreffen, werkend aan The White Album. Na de studiosessies voor dat album, volgden het huwelijk in Gibraltar en de Bed-In. 



She Is A Friend Of Dorothy
Een musical bestaat  voor een belangrijk deel uit muziek. En dus startte John met het schrijven nummers. Ook greep hij terug op onafgemaakte songs die hij nog rond had slingeren. Als openingsnummer schreef hij She Is A Friend Of Dorothy [video]. De titel, geïnspireerd op (Judy Garland als) Dorothy uit The Wizard of Oz, sloeg op de code waarmee iemands homoseksuele geaardheid al enkele decennia werd aangeduid. In de demo horen we John experimenteren met de energieke opener voor de musical. Daarvoor 'leende' hij uit zijn eigen nummer Aisumasen (I'm sorry), dat op het album Mind Games was verschenen:



Sally and Billy
Er waren al meer songs die in aanmerking kwamen voor een plek in het uiteindelijke script in The Ballad of John and Yoko. In 1970 was John al begonnen aan het bijna McCartney-achtige Sally and Billy, over een uitgeblust echtpaar. Al gaf John altijd af op Desmond and Molly Jones uit Ob-La-Di, Ob-La-Da, hij deed toch zelf ook een poging [video]:



Tennessee
Ook dat nummer betrok hij bij het project. Net als Tennessee. Dat schreef hij in 1975, geïnspireerd op de toneelschrijver Tennessee Williams van wie hij het stuk A Streetcar Named Desire las. Op de demo [video] horen we John zijn drummachine gebruiken. Die sound vinden we terug op meer thuisopnamen uit The Dakota die John tijdens zijn laatste jaren maakte. Op Tennesse hoor ik de invloed van Elton John. Met hem onderhield Lennon medio jaren 70 een vrij intensief vriendschappelijk contact.




Coming Up maakte iets los
Hoewel John in de tweede helft van de jaren 70 behoorlijk wat demo's opnam, voornamelijk op piano, moet hij ergens zijn interesse in het musicalproject zijn verloren. Het bijna gedoofde songwriters-vuur werd pas weer écht aangewakkerd toen hij in 1980 Coming Up op de radio hoorde. Van zijn oude schrijfpartner Paul McCartney. Dat nummer zette Lennon weer écht in beweging. Op weg naar zijn laatste album. Zouden Lennon en McCartney, als ze samen tijd van leven hadden gehad, als een Rodgers en Hammerstein, ooit aan een musical zijn begonnen? Ik vind het op zijn minst een fascinerende gedachte.

zaterdag 24 oktober 2020

De Vijfde Beatle(s). Wie is dat? Wie zijn dat?

De afgelopen jaren, bij het wekelijks schrijven van mijn columns, ben ik altijd bij het onderwerp weggebleven. Want hoe pak je dat nu aan? Schrijven over een fenomeen dat bestaat, maar ook weer niet, zonder daarbij ook nog eens in clichés of herhaling te vervallen? Want.... wie is (of was) eigenlijk de Vijfde Beatle? Gaat het om één persoon of kunnen meer mensen aanspraak maken op deze titel? Maar is er dan niet eentje die nét een beetje meer die Vijfde Beatle is dan een ander? Komende week verschijnt het boek 'De Vijfde Beatles' van Paul Onkenhout en John Schoorl. Een goede gelegenheid om toch eens bij die legendarische en ongrijpbare Nummer Vijf stil te staan.




Belangrijke rol
Stiekem hadden we allemaal wel de Vijfde Beatle willen zijn. Wanneer je die eretitel of geuzennaam verwierf, speelde je blijkbaar een belangrijke rol in de geschiedenis of ontwikkeling van The Beatles als band. Je wás even een Beatle, of behoorde tenminste tot de inner circle van de Fab Four. Je vervulde een belangrijke rol (artistiek, zakelijk, vriendschappelijk) die bijdroeg aan de identiteit of het succes van The Beatles. Dan was je, met recht, zo'n Vijfde Beatle. 




Wat was het geheim van The Beatles?
Het fenomeen werd overigens al vroeg in de carrière van The Fab Four 'uitgevonden'. Zo verschenen er er vanaf 1963 verhalen in de pers, waarin De Vijfde Beatle genoemd werd. Logisch is het natuurlijk wel. Toen de Beatles in korte tijd hun enorme roem verwierven, buitelden de media over elkaar heen om dat fabelachtige succesverhaal te vertellen en te duiden. Hoe was het mogelijk dat vier jongens, uit het Noordwesten van Engeland, weliswaar in het bezit van een enorme hoeveelheid talent en 'personality', zo'n revolutie in de popmuziek konden ontketenen. Wat was hun geheim? Of beter: wie was hun geheim? Juist, dat moest die Vijfde Beatle zijn. Hebbes. Bijna.




Bandleden en andere bijdragers
Maar dan glipt die Vijfde je toch weer door de vingers, want kon je alleen een Vijfde Beatle zijn, wanneer je echt deel uit had gemaakt van de band (Stuart Sutcliffe, Pete Best, Jimmie Nichol, Chas Newby)? Of was je zo'n Vijfde wanneer je The Beatles zakelijk of bij het produceren van hun platen ondersteunde (Brian Epstein, Neil Aspinall, Derek Taylor, George Martin)? Maar wat nu als je alleen op hun platen meespeelde? Als onbekend gebleven sessiemuzikant (de trompettist uit Penny Lane, de hoornist uit For No One, de strijkers uit Eleanor Rigby of Yesterday)? Of juist als bekendheid (Billy Preston of Eric Clapton)? Maar wat te denken van stille kracht, roadie, vriend en vertrouweling Mal Evans? Of Freda Kelly, de integere en hardwerkende hoeder van de Britse fanclub? Of spirituele, artistieke en soms knotsgekke influencers als, respectievelijk de Maharishi Mahesh Yogi, Astrid Kirchherr en Alex Mardas? Daar gaan we al. Niet te doen, die Vijfde Beatle.

Dreamteam: vlnr >  Ringo Starr, George Harrison,
Paul McCartney, Brian Epstein, John en George Martin.


Een kleine bijdrage
Juist daarom is het boek 'De Vijfde Beatles,' dat vanaf 29 oktober 2020 in de boekwinkels ligt, zo ontzettend leuk. Volkskrant-journalisten Paul Onkenhout en John maakten het afgelopen jaar 64 portretten van mannen en vrouwen die, allen op hun eigen bijzondere wijze, verbonden zijn (en blijven) met The Beatles. De columns werden in mijn omgeving wekelijks gretig verslonden. Omdat ik de krant zelf niet op papier lees, schoven vrienden me regelmatig een knipsel over weer zo'n Vijfde Beatle toe. Nu is er dan het boekje, waarin de fascinerende en humoristische columns van de schrijvers gebundeld zijn. Ik kon er trouwens onverwacht zelf een bijdrage aan leveren. Met de foto die ik in juni 2019 maakte van Piet Schreuders, terwijl hij op een keukentrap midden op Abbey Road het perspectief van de beroemde albumfoto van Ian MacMillan reconstrueerde.




Erfgoeddragers
Want natuurlijk staat Piet -detective- Schreuders ook in het boek. Als één van de Vijfde Beatles. Hij hoort tot een categorie die ik nog niet noemde. Namelijk die van de erfgoeddragers: onderzoekers, schrijvers, fotografen, documentairemakers, podcasters en muzikanten die zich nog dagelijks bezighouden met het erfgoed van The Beatles. Door te spitten naar de waarheid, vanuit hun liefde en fascinatie voor de band. Door ontdekkingen te doen, nieuwe verbanden te zien, arrangementen te ontrafelen, filmbeelden te analyseren en archieven uit te spitten. Om nóg meer te leren over het fenomeen dat The Beatles zijn. Door het verhaal van The Beatles op nieuwe manieren te blijven vertellen en vast te leggen voor volgende generaties. Zijn we niet allemaal een beetje die Vijfde Beatle?


De Vijfde Beatles, door Paul Onkenhout en John Schoorl, verschijnt op 29 oktober 2020 bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam. 160 pagina's. Steun je plaatselijke boekhandel en bestel of koop het boek lokaal.



zaterdag 17 oktober 2020

Joe Flannery: the Secret Beatle (en zijn vriendschap met Brian Epstein)

Joe Flannery. Bij hoeveel mensen gaat er een belletje rinkelen bij het horen van die naam? Bij mij rinkelde het vaag en zacht. Een local uit Liverpool, die iets met The Beatles te maken had? Verder kwam ik niet. Dus schafte ik vorig jaar 'Standing in the Wings: The Beatles, Brian Epstein and Me' aan, het boek waarin Flannery zijn avonturen memoreert. Is het de zoveelste publicatie, waarin iemand die ook maar íets met The Beatles meemaakte, ons uitgebreid verslag doet? Nee, toch niet. Flannery hoorde echt tot de inner circle van de band en stond dicht bij Brian Epstein. Dat levert interessant leesvoer op, was mijn conclusie. 'The Secret Beatle,' zoals Flannery ook wel genoemd werd, staat daarom deze week centraal in de column.




Speelkameraadjes
Joe Flannery (1931-2019) zou zijn eerste ontmoeting met Brian Epstein nooit vergeten. Terwijl hun moeders, als Liverpoolse ondernemers zowel zakelijke als vriendschappelijke banden onderhielden, werd Brian als kleuter op een middag als speelkameraadje aan de drie jaar oudere Joe toevertrouwd. De middag eindigde in tranen. Joe herinnerde zich hoe de kleine, verwende Brian zijn eigen dure speelgoed vernielde. Joe, die gewend was zich met heel wat eenvoudigere zaken te vermaken, keek met verbazing toe. De jongens moesten duidelijk aan elkaar wennen, maar bleken uiteindelijk goede vrienden te worden in het Liverpool van de jaren 30 en 40. 

Een jonge Brian Epstein



De Flannery's verkochten de meubels van de Epsteins
Joe en Brian deelden hun liefde voor de wereld van muziek en theater. Joe was meer van de muziek, Brian van het theater. Terwijl de Epsteins de meubels van de Flannery's in hun zaak aan Walton Road in het noorden van Liverpool verkochten, verdiepte de vriendschap van de jongens zich. Joe zag hoe lastig Brian het had op school, als gevoelige jongen van Joodse komaf. Hun wegen scheidden toen Brian door zijn ouders naar kostschool werd gestuurd. Joe en Brian kwamen elkaar enkele jaren later weer tegen op een legendarische plek in Liverpool: het Adelphi Hotel.


Joe en Brian bleven elkaar tegenkomen
Joe, inmiddels 17, was als ober in dienst getreden in één van de meest gerenommeerde etablissementen die Liverpool rijk was. Op vrijdagavonden bediende hij de Epsteins, die voorafgaand aan hun theatervoorstelling in het Adelphi kwamen eten. Joe en Brian raakten weer in gesprek en zetten hun vriendschap voort. De jongens bezochten regelmatig de bioscoop of spraken af voor een afternoon tea. Door de diensttijd van Joe verwaterde het contact opnieuw. In 1954 liepen de twintigers elkaar weer tegen het lijf. Zo groot was het Liverpoolse middenstandsmilieu niet in de jaren '50. 


De geknakte Epstein en de beminnelijke Flannery
Joe Flannery was inmiddels zijn eigen meubelzaak aan Kirkdale Road begonnen. In de achterkamer van zijn winkelpand schoof Brian Epstein vaak aan bij het avondeten, terwijl de vrienden lange gesprekken voerden. Ook Brian had zijn dienstplicht er inmiddels opzitten, als administratief medewerker, omdat hij ongeschikt werd bevonden voor gevechtshandelingen. Inmiddels werkte Brian bij Clarendon Furnishing in Hoylake, aan de overzijde van de Mersey. Niet veel later zou hij North End Music Stores (NEMS), het bedrijf van zijn familie, gaan leiden. De wat geknakte en onzekere jonge Epstein hechtte enorm aan de vriendschap met de milde en beminnelijke Flannery. De twee lunchen iedere woensdag met elkaar. Het werd een ritueel.




Brian kwam bij Joe uit de kast
Op één van die woensdagmiddagen liet Joe een nerveuze Brian binnen in de achterkamer bij de winkel. Joe informeerde bij Brian wat er aan de hand, was zo las ik in zijn boek. Daarop antwoordde Brian geëmotioneerd: "Joe, you must not tell a soul but I just have to tell somebody, and you're my closest friend; I'm attracted to men rather than women." Zo nam Epstein zijn beste vriend in vertrouwen over zijn geaardheid. Volgens Joe was Brian zichtbaar opgelucht na diens bekentenis. Toch vroeg Brian zich af hoe hij, als lid van een vooraanstaande familie in Liverpool, met zijn geheim om moest gaan. Zelfs zijn eigen familie mocht niets weten. Het was een gevaarlijke tijd, waarin homoseksualiteit bij wet verboden was en waar verraad en chantage om iedere straathoek gluurden. Flannery bood een luisterend oor en adviseerde Epstein om zijn familie toch zo snel mogelijk openheid van zaken te geven. Dit geheim zou hem kapotmaken. 

Joe Flannery en zijn partner Kenny Meek



Joe's huis werd een toevluchtsoord
Flannery bleef een vertrouweling van Epstein, ook nadat hij zelf ontdekte homoseksueel te zijn. De mannen bleven vrienden en Flannery's flat was regelmatig een toevluchtsoord voor Epstein, wanneer laatstgenoemde er bont en blauw geslagen, na een mislukt heimelijk rendez-vous in de straten van Liverpool, op de bank in slaap viel. Flannery kreeg zelf een stabiele en langdurige relatie met zijn partner Kenny Meek, met wie hij een appartement betrok.


Flannery zat op de trappen van The Cavern al naar The Beatles te luisteren
In het boek omschrijft Flannery hoe de muziekscène in Liverpool veranderde, hoe de skiffle-gekte in 1957 tot een hoogtepunt kwam en moeiteloos oploste in het rock 'n' roll-tijdperk. Terwijl Joe een steeds succesvoller ondernemer werd, veranderde Liverpool in de stad van de Merseybeat. Flannery omschrijft levendig hoe Liverpool cultureel in een stroomversnelling kwam rond de decenniumwisseling, hoe zijn vriend Brian zijn eigen business opbouwde en geïnteresseerd raakte in die muziekscène. Op verzoek van Epstein ging Flannery op 25 oktober 1961 naar de Cavern om The Beatles te zien. Joe zat daar, aan het eind van de ochtend op de trappen van de Cavern naar The Beatles te luisteren, terwijl die hun lunchsessie voorbereidden. "If you don't get them, someone else will," zou Flannery tegen Epstein gezegd hebben. Inmiddels was Joe ook zelf actief als manager van de Liverpoolse band The Detours.


Een slapende John Lennon op de bank
Nadat Brian The Beatles contracteerde, kon een ontmoeting tussen de jongens en Joe Flannery niet uitblijven. Op een goede dag moesten The Detours met spoed een versterker van The Beatles lenen. Zo ontstond het contact. Het appartement aan Gardner Road, dat Flannery en Meek bewoonden, werd al snel een plek waar The Beatles en andere Liverpoolse muzikanten neerstreken. Na optredens, voor feestjes. Flannery trof regelmatig een slapende John Lennon op de bank in zijn huiskamer aan. Regelmatig reed Joe de jongens tegen het ochtendgloren weer met zijn auto naar huis. Ook leerde hij George Harrison, zij het informeel, autorijden. Met name in maart 1962 zouden The Beatles vaak bij Flannery verblijven, las ik. 


Zakelijk advies
In de periode 1962-1963 bundelden Epstein (NEMS) en Flannery (Carlton Brooke) hun krachten. Joe werd daarbij de booking manager van The Beatles en hoorde officieel tot het management van het uitdijende Epstein-imperium. Joe en Brian vergaderden wekelijks aan Gardner Road of aan Whitechapel, waar Brians kantoor gevestigd was. Het was Joe die samen met partner Kenny regelmatig zakelijk advies gaf aan Brian hoe hij zijn contracten en overige afspraken Beatlesoptredens moest opstellen. 




Mona Best werd te dominant, volgens Flannery
Flannery doet in zijn boek uit de doeken hoe het ontslag van drummer Pete Best verliep en dat het met name de aanhoudende bemoeienis van moeder Mona Best was, die The Beatles deed besluiten dat ze afstand van Pete wilden nemen. Volgens Flannery zou John Lennon hem hebben toevertrouwd dat Mona The Beatles wilde blijven gebruiken "as a vehicle for her son", terwijl de band vooruit wilde, carrière wilden maken onder leiding van Brian Epstein. Het is interessant de gebeurtenissen eens terug te lezen vanuit het perspectief van Flannery. Zo was Joe ook belast met het herplaatsen van Pete Best, bij een andere Liverpoolse band. In september 1962 zou een verongelijkte Mona Best onophoudelijk aan de lijn hebben gehangen bij Flannery. Haar zoon moest en zou weer een plek bij een populaire band krijgen.


Beryl Marsden als onuitstaanbaar portret
De avonturen van Flannery voeren te ver om ze hier allemaal te bespreken, maar in het boek las ik nog wel dat Joe zich als manager ontfermde over de Liverpoolse zangeres Beryl Marsden, die nogal een 'portret' bleek te zijn. Flannery beleefde, ook in de tijd waarin hij haar als manager in Duitsland begeleidde, de nodige onaangename avonturen met de ongedurige zangeres. Het is prima leesvoer! Midden jaren '60, toen The Beatles hun eigen weg waren gegaan, woonde Flannery zelf bijna permanent in Hamburg, als manager en boeker van vele acts voor de Star Club. Ondertussen bleven zijn banden met Brian en diens broer Clive Epstein altijd goed. Een aantal foto's in het boek, uit de privécollectie van Flannery tonen bovendien hoe Flannery regelmatig contact had met de McCartneys en met Ringo Starr, ook na het uiteengaan van The Beatles.




Joe, I'm so lonely
Flannery en Epstein ontmoetten elkaar voor het laatst op 13 november 1966 in Londen. De mannen dineerden samen. Die avonden zou Brian zijn zorgen met Joe gedeeld hebben. Net als vroeger. The Beatles traden niet meer op, hij maakte zich druk over ene Robert Stigwood, die in onderhandeling was met EMI. Wat was er eigenlijk nog over van zijn eigen positie? Bij het afscheid met Joe volgde een omhelzing, waarbij Brian de volgende woorden sprak: "Joe , I'm so lonely," waarna hij zich omdraaide en wegliep. Flannery vernam, amper een jaar later, het nieuws van Brians dood via de televisie, waarna hij door de Epsteins werd gebeld, met een uitnodiging voor de uitvaart. Joe wilde liever niet komen, ondanks smeekbeden van Brians broer Clive. Het was te moeilijk voor hem. Af en toe bracht Flannery nog een bezoek aan het graf van zijn oudste vriend aan Long Lane, Aintree. Joe overleed in Aighburth (Liverpool) op 27 maart 2019. Hij was 87 jaar oud.




zaterdag 10 oktober 2020

Bij de 80ste geboortedag van John Lennon: op avontuur rond Strawberry Field(s) en in gesprek met Lennons achterbuurjongen

Het gaf me best een bijzonder gevoel om vorig najaar het terrein van Strawberry Field in Liverpool te betreden. Net als vele Beatlesliefhebbers had ik er al eens voor de gesloten rode hekken gestaan, glurend naar het mysterieuze, overwoekerde park dat daar achter lag. Strawberry Field gaf zijn geheimen niet prijs, voor de zoekende toerist die de gesloten toegangspoort aan de lommerrijke Beaconsfield Road had weten te vinden. Inmiddels is het terrein opengesteld voor publiek en hoeven we niet meer, zoals de jonge John Lennon deed, over een muur te klauteren. 




Is het nu Field of Fields?
Tegenwoordig wordt het gebiedje als Strawberry Field (in enkelvoud) aangeduid, terwijl John Lennon het in zijn ode had over Strawberry Fields (in meervoud) Forever. Was dat Lennons fantasie, of had hij een punt? Historische vermeldingen laten zien dat het gebied aan Beaconsfield Road beide benamingen heeft gehad. Een kaart uit 1891 toont dat het terrein werd aangeduid als Fields. In een testamentaire verwijzing naar één van de voormalige eigenaren, de scheepsmagnaat George Hignett Warren (1819-1912), is er weer sprake van Strawberry Field.

By Ordnance Survey - Reproduced with the permission of the National Library of Scotland,
CC BY 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=56722292


The will of Mr George Hignett Warren, of Strawberry Field 
(The Yorkshire Post and Leeds Intelligencer 12 March 1912)


John Lennon had ook op Strawberry Field terecht kunnen komen
Of het nu Field of Fields was, het landgoed wisselde enkele malen van (rijke) eigenaar en kwam in 1934 in het bezit van de Britse Salvation Army, betrekkelijk kort voor het jaar waarin John Lennon geboren werd. De geschiedenis van het huis en landgoed is uitstekend gedocumenteerd door de fantastische blog There Are Places I Remember. Het tehuis opende haar deuren in 1936 en bood onderdak aan zo'n veertig meisjes. In sommige gevallen wees, vaker waren ze afkomstig uit gebroken gezinnen. In de jaren '50 kwamen daar ook jongens bij. Wat dat betreft had John Lennon, gezien het 'gebroken gezin' waar hij zelf ook uit kwam, heel goed zelf op Strawberry Field terecht kunnen komen.




Stiekem over de muur klimmen
Dat het anders liep, weten we natuurlijk. Omdat zijn moeder Julia niet in staat was voor hem te zorgen, kreeg John onderdak bij tante Mimi, pal om de hoek aan Menlove Avenue. Behalve dat John op het terrein speelde, bezocht hij met zijn tante ook graag de festiviteiten. Wanneer hij, vermoedelijk vanuit de achtertuin, de Salvation Army Band hoorde inzetten tijdens het jaarlijkse tuinfeest, spoorde hij Mimi aan om zich te haasten. John wilde niets van de gebeurtenissen missen. Hoewel de hekken van Strawberry Field altijd open stonden en de kinderen vrij in en uit konden lopen en elders in Liverpool naar school gingen, zag Mimi liever niet dat haar familie zich mengde met 'deze kinderen'. Johns neef Stanley Parkes vertelde dat John en hij ergens via de achterkant van Mendips (aan Menlove Avenue) het terrein opkwamen zodat ze toch stiekem met de kinderen konden spelen. 

Stanley Parkes (15) en John Lennon (8)


We vroegen Mark Lewisohn waar die muur was
Toen ik vorig jaar met Wibo, Michiel en Jan Cees van Fab4Cast Strawberry Field opnieuw bezocht, bleef Jan Cees zich maar afvragen op welke plek John Lennon de muur over klom om op het terrein te komen. Dat zag hij zichzelf namelijk ook wel even doen. Voorafgaand aan onze trip stelde ik Beatleshistoricus Mark Lewisohn de vraag waar John zich de toegang tot Strawberry Field verschafte. Die antwoordde: "The wall that Jan Cees is thinking of jumping is in Vale Road. However, it now leads only into a housing estate, which occupies much of the extensive grounds of the old SF home." Dat was duidelijk. Als Jan Cees over die muur klom, zouden we hem uit een privétuin moeten zien te krijgen. Het terrein van Strawberry Field was niet meer zo groot als vroeger. Een deel ervan is inmiddels in particulier bezit. Toch gaf Jan Cees niet op. 


Jan Cees in gesprek met David Upton,
de 'oud-achterbuurjongen' van John Lennon


We ontmoetten de oude achterbuurjongen van John Lennon
Al wandelend rond de buitenmuur van het huidige terrein, op de bewolkte ochtend van dinsdag 1 oktober 2019, stapte Jan Cees op een vriendelijk uitziende oudere man af. Duidelijk een 'local'. Iets langer grijs haar, een tasje over zijn schouder, vriendelijke blik, op weg naar de bus. Jan Cees legde uit wie hij was en dat hij zo gefascineerd was door de gedachte dat John Lennon hier ergens, bij Vale Road, over de muur naar Strawberry Field klom. De man knikte vriendelijk. Dat wist hij maar al te goed. Hoewel hij iets jonger was dan John Lennon, kon hij hem nog goed herinneren als zijn eigen achterbuurjongen. "Ik zag hem vaak in zijn achtertuin, waar hij dan in een hoge iep klom, van waaruit hij Strawberry Field kon zien. Maar we klommen inderdaad ook allemaal over die muur als kinderen," zo vertelde deze David Upton ons. Ook kregen we van hem de bevestiging dat het terrein oorspronkelijk groter was geweest, dat de muur nog verder door had gelopen en dat zich er tevens een boerderij met een stuk open grasland bevond. Daarachter lag het bos, "A nice woodland to play in," aldus David.


David bleek in het huis van Ivan Vaughan te wonen
Even waren we weer heel dicht bij de jonge John Lennon, door deze onverwachte ontmoeting. De verhalen liggen in Liverpool nog steeds op straat. Jan Cees had, als journalist met een neus voor goede verhalen, precies de goede man van straat geplukt om zijn vragen aan te stellen. We vonden het toch wel een kleine sensatie: een ooggetuige die ons haast achteloos vertelde dat we inderdaad warm waren. "Oh," vervolgde David, "ik woon zelf nu trouwens in het huis van Ivan Vaughan, de gemeenschappelijke vriend van John Lennon en Paul McCartney. Dat is ook een bijzondere plek, aan 84 Vale Road. Ze hebben heel wat uurtjes in mijn huidige woning doorgebracht." 


Een virtuele mellotron om de openingsklanken van Strawberry Field te spelen
Natuurlijk bezochten we ook het terrein en het gloednieuwe bezoekerscentrum, dat het Britse Leger des Heils daar op eigen grond heeft opgericht. Ze deden het in nauwe samenwerking met Johns halfzus Julia Baird. Het centrum biedt ruimte aan een opgezette multimediale presentatie over de historie van de plek én (een klein beetje) over de roots en muzikale invloeden van John Lennon. Met een virtuele mellotron kun je er de openingsklanken van Strawberry Fields leren spelen. Wanneer je je vinger langs de swarmandal laat glijden, hoor je het karakteristieke harpgeluid uit het nummer. Met videobeelden en een audiotour krijg je een indruk van de plek die Strawberry Field voor de wijk én voor de jonge John Lennon moet zijn geweest.





Een sympathieke plek
In het naastgelegen bezoekerscentrum steun je de accommodatie en het werk van het Legers des Heils door er een t-shirt, mok of een potje aardbeienjam te kopen. De memorabilia zijn smaakvol, niet schreeuwerig of erg commercieel vormgegeven. Dat ademt de hele plek trouwens: in het bezoekerscafé eet je soep, een taartje of een sandwich. Buurtbewoners kunnen elkaar te ontmoeten en er samen een kop koffie te drinken. Voor kinderen is er ruimte om met hun gitaar of keyboard in de hoek op te treden. In de keuken en de bediening werken jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ze krijgen er de rust en ruimte om zichzelf te ontwikkelen. In de pas aangelegde tuin kunnen bezoekers een contemplatieve wandeling te maken, langs bordjes met teksten als 'Love and peace are eternal', en 'There's nothing you can do that can't be done'. Ook staan de originele hekken van Strawberry Field er opgesteld. Ze belandden na diefstal als oud ijzer op de sloop en werden daar op het nippertje herkend en gered.


Michiel, Wibo en Jan Cees bij de originele hekken van Strawberry Field


Verleden, heden en toekomst
Op het nieuwe Strawberry Field komen verleden, heden en toekomst bij elkaar. De plek is gered van verder verval, het bezoekerscentrum vertelt ons over de bijzondere geschiedenis ervan en jongeren krijgen er een kans aan hun toekomst te werken. Terwijl ik even afdwaal in gedachten, kijk ik naar de meest afgelegen hoek van de tuin. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes. Zie ik daar, door mijn oogharen een jongen over de muur klimmen? Wanneer ik met mijn ogen knipper, is hij weg. Ik zal het me wel verbeeld hebben.




Verder luisteren (podcasts)